* snow into sense * press coverage by an independent citizen writer

Site menu:

NetworkedBlogs


Archive

Meta

writing

waarom een restaurant Tati heet

Bij aankomst in café/resto Tati in de Kerkstraat in Antwerpen vroegen we ons meteen af of de verwarming niet werd gebruikt. Toch wel, zei de jonge, bevallige, ober. “We krijgen het niet warmer.” Ik hield mijn jas dan maar aan. We waren met zijn vieren. Ieder bestelde een gerecht, drie onder ons namen vooraf soep. Bij twee van de gevraagde gerechten kregen we echter het antwoord dat ‘het niet voorradig was’. Vervelend, maar toch sympathiek dat de brave man ons op de hoogte bracht. Er werd iets anders gekozen. Ik bestelde twee drankjes, een thee om het warm te krijgen en een glas rode wijn. Ik keek naar de pittige knaap en vroeg hem of hij dat allemaal ging onthouden, want eigenaardig genoeg noteerde hij niets. Hij knikte van ja. Ik vond het fantastisch. Hij had stijl. Toen hij daarna terugkwam om te vragen of we nu dit of dat gekozen hadden en bovendien mijn wijn vergat, (die ik pas meer dan een uur later kreeg), vond ik dat zijn harde schijf wat aan bytes miste. Enfin, niet getreurd. We lachten wat af. Maar na een uur vonden we dat we lang genoeg gewacht en gelachen hadden. Waar bleef om te beginnen die soep? Bij elk getingel uit de keuken  balanceerden er allerlei gerechten langs onze hoofden. Wij zaten gezellig rond een leeg broodmandje in de hoop dat het alsnog in een knetterende open haard zou veranderen. Iemand uit het gezelschap ging om uitleg vragen. De kok bleek ontdekt te hebben dat hij geen soep had, en was dan maar aan de slag gegaan. Hij ‘vond’ daarom ter plekke een soepje ‘uit’ en vergat ons op de hoogte te brengen. Maar ze kwam er zo aan! Wachten. Toen kwamen er drie kommetjes soep. Soep? Het ging om transparant, opgewarmd water met zout in, en niet te vergeten: enkele verknipte stengels bieslook, enkele minuscule, halfgare tomatenblokjes en verder…. enkele grote, ongekookte courgettestukken. Het ‘zeewater’ met groenten werd lauw opgediend. Ik kon de neiging niet onderdrukken te vragen of de soep de naam ‘ik-gooi-alles-wat-ik-in-mijn-keuken-vind-in-mijn-soep-en-doe-er-wat-zout-bij’ droeg. “Nee,” zei het charmante stuk, van geen meter van zijn stuk te brengen. “Het is groentensoep.” We proefden allemaal even. Nu had ik toch minstens gehoopt dat de vindingrijke kok Maggi Cube of bouillonblokjes zou gebruikt hebben… Niks van. Water met zout. Twee lepels waren voor mij genoeg. De gedachte aan de kok van de Muppet Show die met enig gevoel voor timing wat ingrediënten in zijn soep slingerde, als betrof het ballen in het blikkenkraam op de kermis, ging niet meer uit mijn koker. Nu denk ik niet dat rauwe courgettes met gepureerde tomaat in zeewater op kamertemperatuur de darmen kunnen schaden, maar toch. Ik had er geen zin in, en de anderen ook niet. We vroegen de jongeling met de bug in de schijf om de soep weer weg te halen. Soep af! Hoofdgerecht op! Wat dreef er nu bij toeval in mijn pasta veggie? Stukken rauwe courgette, met volgens mij ook wat rauwe broccoli. Verder merkte ik ook nog wat grofgeknipte stukken basilicum op, of iets dat er op leek. Ik zag ook drie witte vlekken gesmolten vaste stof, ik denk dat het om enkele centimeters blauwe stinkkaas ging. Voor een vegetariër is dan het kalf nog maar half verdronken maar dat het hele boeltje niet meer warm was, zelfs niet eens lauw, deed mijn appetijt met de noorderzon vertrekken. Ik begon me onbehaaglijk te voelen. Straks zou Mijnheer Atari nog denken dat ik hem voor de gek hield. Desondanks vroeg ik hem vriendelijk mijn gerecht op te warmen. Hij kon dan meteen het wijntje meebrengen waar ik al zolang op wachtte. Zo gezegd, zo gedaan, alhoewel ik hem met de Muppet uit de keuken in drukke onderhandelingen zag. Mijn buurman, die een pasta zalm met dille, had besteld, warmde ondertussen zijn handen aan zijn heerlijk dampende bord. Dat basilicum geen dille was, en dat de zalm een vreemde vorm aannam, daar wou hij geen halszaak van maken, gezien de omstandigheden. Mijn overbuurvrouwen warmden ondertussen hun handen aan een kaarshoudertje op de tafel en ik knoopte nog eens goed mijn jas dicht. Het zal u wellicht niet verbazen dat mijn bord wat later leeg was dan dat van de anderen. Voor één keer lag dat niet aan mezelf en al mijn geklets. Het viel me tijdens deze spetterende cabaretavond ook nog op dat er diezelfde avond enkele vrouwen binnenstormden die zich meteen vrijwillig aan de verwarmingsbuizen vastketenden. En de kok ? Die sloop drie minuten na ons als een dief in de nacht de Tati uit. Hij trok een betrekkelijk gezicht, vond ik. Vraag die ons restte: “Was dit wel de kok van de Tati of een huurling uit het vreemdelingenlegioen van Pieter De Crem?” Deze avond in Comedy Casino kostte ons voltallig gezelschap een slordige 20 euro per persoon. Noot: een gerecht hoeft niet duur te zijn en mag betrekkelijk eenvoudig zijn, wat mij betreft, leek in keukenaffaires, maar de ingrediënten zouden toch minstens opgewarmd mogen worden, ‘gekookt’ of ‘gebakken’ bijvoorbeeld. Schiet mij plots te binnen dat men bij Tati misschien gewoon de gasrekening niet had betaald. Zou kunnen in deze tijden van crisis. Een pluim voor Tati: zij zijn helemaal Kyoto. En zo ging ik toch nog blijgemutst naar bed. Ik neem immers deel aan de klimaatwijken en dat betekent dat ik ook extern mijn steentje bijdroeg. Mooi! Yes, We Can!

Ook een leuke ervaring in een hedendaags restaurant? Ik verwacht uw commentaar hieronder met open armen. Ik haal ondertussen de ijspegels uit mijn neusharen.

bevrijd van krijt

Onder het motto ‘het mag al eens een quote zijn’ en dit naar aanleiding van de thuiskomst uit Marokko van mijn bijna zestienjarige zoon vandaag.

Het betreft een stuk uit een brief van Hafid Bouazza aan Gerrit Komrij, gepubliceerd in De Standaard van vrijdag 30 mei 2008.

Het treft me niet alleen omdat het mooi geschreven is, maar ook omdat het op passende wijze het puberteitsgebeuren beschrijft. De schrijver is er bovendien ook nog in geslaagd dit in een pardoese vrije val te laten samenvallen met een leeg schoolplein en de thuiskomst bij de oermoeder. De leegte en het gemis die we zo haten op die leeftijd en tegelijkertijd koesteren, alsof het een medaille was, binnengehaald na het behalen van het eerste zwembrevet [50 m]. Coupez le cordon, mes enfants! Coupez!

“…Ik denk dat ik het beeld begrijp: het hormonale bacchanaal van de puberteit, de pijn van het groeien, het onbegrip dat de puber ten deel valt (want een begrepen puber is een antithese) en de onbewustheid van een krakkemikkig omhoog krakende jeugd, die achteraf - te laat! te laat! - altijd onbenut blijkt: dat sprak er uit dat schouwspel voor mij: niet symbolisch of emblematisch, jongens wisten waar ze over spraken en waar ze stonden/zaten in het leven. Zo thuis buitenshuis.

Ik moest denken aan mijn jaren op de lagere school waar ik, nadat de schelbel ons van de geur van krijt had bevrijd, alleen op het verlaten schoolplein bleef spelen, ik wilde het moment voordat ik naar huis ging, uitstellen, juist omdat ik thuis miste en dat gevoel van gemis wilde rekken. Ik heb nog steeds een zwak voor verlaten schoolpleinen. Natuurlijk kreeg ik een schrobbering van mijn moeder omdat ik altijd zo lang op mij liet wachten. Toen ik haar een keer vertelde dat ik langer wegbleef omdat ik thuis miste, was haar praktisch antwoord: ‘Als je thuis mist, dan kom je toch direct hier naartoe?’ Ik gaf het op. Wie kan ik uitleggen dat het gemis van een vertrouwd huis intenser is en meer geborgenhed biedt dan de vertrouwdheid van een onvermijdelijke thuis?…”

Kronenburgstraat

koerske

Het gebeurt in de Kronenburgstraat. Ik fiets. Een hele gebeurtenis. Want ik heb een nachtje schilderwerken onder de leden. Ik fiets dus. Dat lukt. Plots sprint een getaand jongetje van een jaar of vijf, zes uit de coulissen. Voorwaarts. Hij probeert gelijke tred met mijn fiets te houden. “Hallloooo!”, schreeuwt hij. Dat laat ik me geen twee keer zeggen. “Halllooooo!”, schreeuw ik terug. En dan valt het wonderlijke woord: koerske. “Koerske?”, roept hij al hijgend, [voor zover dat al hijgend mogelijk is]. Het is bij mij in elk geval sinds kinderheugnis geleden dat ik nog koerske heb gereden. “Ik ben moe…”, zeg ik eerst, alsof het zijn fout is dat ik toch midden in de zwoele nacht [30°] heb staan schilderen. “Wacht!”, zeg ik dan. Ik zet me schrap, ga gebogen over het stuur hangen en roep: “Ja, nu!”. Hij schiet niet geheel onverwacht uit de startblokken. In vakjargon zou dit een valse start heten. Niet getreurd! Ik laat mijn tong als een ware koerspro uit mijn mondhoek hangen en duw als een bezetene op de trappers. Tom Boonen achterna, maar dan zonder zetpillen. Ik doe koerske in de Kronenburgstraat en dat maakt me blij. “Gewonnen!”, roept het ketje en tikt de finish op het hoekje van de straat aan: een lantaarnpaal. Ik snuif misnoegd. Ik rijd tot vlakbij het jongetje, steek mijn arm uit en vraag: “Hoe heet jij?” “Mohamed!” “Mohamed,” zegt ik “gefeliciteerd, jongen! Dat heb je goed gedaan. ” Hij steekt zijn borst vooruit en klopt als een prof met zijn vuist op mijn hand. High five op zijn Marokkaans. “Mohamed, dat doen we volgende keer opnieuw,” zeg ik. “Let dus maar goed op, want straks kom ik opnieuw voorbij.” “Okay,” antwoordt Mohamed, “tot straks!” en ik denk dat hij ook even naar me knipoogde, maar dat weet ik nu niet meer zo goed. Mohamed, you made my day!�

wat helpt is een klein beetje twijfel

repair snowglobeHet mag al eens een quote zijn: 

“Andersdenkenden tegemoet komen is iets heel anders dan je persoonlijke mening inslikken. Het is vaak een kwestie van toon: als we echt willen begrijpen hoe mensen omspringen met wat het godvormig hart in de ziel wordt genoemd, moeten we proberen meer in te voelen dan aan te vallen. Mijn ervaring is dat die openheid van geest gesprekspartners kan inspireren tot eenzelfde benadering. Andersom heb ik jarenlang gemerkt dat een houding in de trant van ‘alles wat jij zegt, kan tegen je gebruikt worden’ de toeschietelijkheid aan de overkant van de tafel niet erg vergroot. Mensen hoeven niet noodzakelijkerwijs op één lijn te komen, het is al heel wat wanneer zij elkaar in hun verlangens en pijn, in hun angst en hoop respectvol verstaan. Wat helpt is een klein beetje twijfel, de durf om een paar passen te zetten buiten het getto van je eigen gelijk. Volgens de achttiende-eeuwse denker Pascal is dat de ware levensmoed. Hij betoogde dat God niet afwezig is maar bestaat in de vorm van vragen. Die moet je willen stellen - niet op de laatste plaats aan jezelf.”

Frénk Van Der Linden , journalist in NRC Handelsblad

de ondraaglijke lichtheid in het journalistieke bestaan

cassetjeGisteren postgevat op het Sfinks Mixed Festival in Boechout, alwaar ik een poging zou ondernemen om in de ziel van enkele artiesten te duiken. Vrijdagavond had ik de artiestennamen aan het persteam doorgegeven en de vragen voorbereid. Het wachten kon beginnen. Wie zou me een gesprekje toestaan, en meer nog: wie zou er een zinnig gesprekje met me willen voeren? De ervaring leerde me dat niet elk interview slaagt. Dat niet iedere interviewee zin heeft om te praten, laat staan om te antwoorden op je vragen. Ik herinner me een interview met een Malinese koraspeler begin jaren negentig. Niet dat hij niet sympathiek was, ho maar. De man beraamde grootse plannen: met mij de volgende dag naar een feestje gaan. Maar toen ik wat vragen op hem afvuurde, volgden er hooguit drie nietszeggende antwoorden. Hij heeft me later nog wel eens een kaartje gestuurd, herinner ik me. Laaiend enthousiast over mijn blauwe ogen. Uiteraard werd ik vriendelijk uitgenodigd bij hem thuis, in Mali. Er was ook die vrouwelijke zangeres. Dat ik me haar naam niet meer herinner, heeft veel te maken met het gesprek en de opvolging achteraf. Ik kon in de loge, onder het toeziend oog van een drietal mannen, (het management?), een praatje slaan met mevrouw. De diva sprak geen gebenedijd woord aan vreemde talen, dus de mannen zouden het wel vertalen. Een vrouwenthema met een Arabische vrouw bespreken onder drie paar dwingende mannenogen, dat was de opdracht. En als ik nog vragen had, of illustratiemateriaal wilde, kon ik achteraf wel even een mailtje aan het management sturen. Het spreekt voor zich dat het Nederlandse emailadres van de Marokkaanse gozers onbestaande was en het telefoonnummer niet thuis gaf. Gisteren dus. Van één tot een uur of vijf fijn rondgehangen op het festivalterrein zonder enig nieuws van het front. Iets na vijven kreeg ik het nieuws dat Mevrouw Babani Koné de uitdaging aanging. Wat volgde was een gezellige conversatie. Babani rook naar het hemelse geurtje dat je bij het opendoen van om het even welke deur in Ségou naar adem doet happen: een mengeling van houtskool en met kruiden in confituurpotten opgelegd parfum. Ze werd vergezeld door de Heer Cheikh Tidiane Seck, een goedlachse muzikant die het ontstaan van de eerste baobab op aarde nog had meegemaakt. De visitekaartjes wisselden duchtig van eigenaar. De manager zei tijdens het binnenspelen van een banaan dat ik een mooie vrouw was, verduidelijkend dat hij van buiten én van binnen bedoelde, en Babani Koné herself schreef op de mij toegereikte ceedee de lieve woordjes: “Ecoutez - c’est Trop - bon” waarna ze het exemplaar van een krabbel voorzag. De tijd was volgens hen drieën rijp om Babani bekendheid op wereldvlak te gunnen, ze was er helemaal klaar voor. Babani zit dan ook al 20 jaren in het vak. Het is haar van harte gegund. Terwijl wij daar met zijn allen garen aan het spinnen waren, kreeg ik te horen dat The Gladiators exact om tien na vijf te mijner beschikking zouden staan. Ik kreeg welgeteld vijf minuten toebedeeld. De werkelijkheid zag er iets anders uit. The Gladiators speelden bijna drie kwartier langer dan voorzien, en ondertussen lag de batterij van mijn laptop bijna op apegapen. Geen nood, ik zou tijdens het wachten nog even een klapke kunnen doen met Mijnheer Werrason uit het verre Congo. In rijtjes van twee werd het perstuig naar de loge van mijnheer Werrason gebracht. Deze loge bestond uit een stukje gras naast een tentje, alwaar een tiental zwarte medemensen een samenkomst had beraamd. De avondklok was nog niet ingesteld. Het betrof het soort groepje dat je niet bij nacht in een verlaten winkelstraat zou willen tegenkomen. Mijnheer Werrason deed een stapje in onze richting en zei: “I am the King. Welke taal moet het zijn? Frans of Engels? Allemaal tegelijk, niet meer dan één kwartier.” Daar stond ik dan temidden van een gazonnetje, met mijn laptop in de hand. Achter mij stak een behaarde microfoon de kop op en werd een televisiejournalist behoorlijk zenuwachtig. De lui van Indymedia (Be the media!) vonden het een plezante opgave en gingen meteen aan de slag. Zelf had ik het gevoel of ik in de ketel van Obelix was gevallen. Vraag 1: hoe zou ik het klavier beroeren al rechtstaande? Vraag 2: welke zinnige vragen kan een mens stellen in een groep van 10 gedurende hooguit een kwartier? Vraag 3: had the king of fucking everything überhaupt wel iets te vertellen als hij het nut van een persoonlijk interview niet inzag? Ik verliet het grastapijt zonder spijt. Het was tenslotte Srebrenica niet. Gegeven het feit dat elke Congolees een beetje een koning is, kruis ik er vast en zeker nog wel eens een op mijn pad. Ik sloop net terug naar de perstent op zoek naar een stopcontact, toen het opperhoofd der Gladiators zijn opwachting maakte. Het gesprek liep als een trein, of beter: het verliep als het rifje in een gemiddeld roots rock reggae hitje [’Hello Carol’ bijvoorbeeld.] Vijf vragen waren goed voor één antwoord van Al Griffith: ‘Definitely!’ Op mijn vraag of hij wat genuanceerder kon antwoorden, antwoordde hij ‘Definitely!’ waarbij hij de handdoek in de ring gooide.

Daar wordt een mens nog eens vrolijk van. Op naar dag 2: ik ruik nu al onraad gezien ik een afspraakje heb beraamd met de man die meer van whisky dan van vrouwen houdt, of was het omgekeerd: Khaled. De laatste keer dat ik hem sprak, was tien jaar geleden in Brussel of all places. Zou hij zich dat nog herinneren? ‘Inshallah!’ lijkt me definitely een geschikt antwoord op deze niet terzake doende vraag.

Alles over Babani Kone

Foto’s van Sfinks

Alles over het woordje ‘definitely’

check this out:

kings of africa

chief goodness

geen kat geïnteresseerd in afrika - u ook niet

iday bannerEr is geen kat geïnteresseerd in Afrika. Dat was zeventien jaar geleden al zo. Eerst een anekdote uit de oude doos. In 1991 struinde ik een tijdje door Mali. Om een reportage te maken. De laatste dagen van mijn verblijf bracht ik in Bamako, de hoofdstad, door. Ik zou er de trein naar Dakar nemen. Op weg naar het station, stoven plots de stoffige straten wit. Er klonken geweerschoten en manifestanten renden alle richtingen uit. De republiek Mali werd toen al 22 jaar lang door de autoritaire Moussa Traoré geleid. De bevolking vond eindelijk dat het welletjes was. Dictator Traoré had voor eind 1991 verkiezingen beloofd. Het was eind december en er vielen nog steeds geen verkiezingen te bespeuren. De manifestanten schreeuwden om de invoering van een meerpartijenstelsel en andere democratische spelregels. Enkele dagen later, terwijl de geur van smeulende autobanden de geur van de bananenkraampjes verdrong, viel Traoré van zijn voetstuk. Onmiddellijk na mijn aankomst in België contacteerde ik de toenmalige BRT en De Morgen. Ik vertelde hen dat ik ter plaatse was en dus wel het een en ander over de situatie kon vertellen. De BRT besloot niet over de toestand in Mali te berichten. “In België zit niemand op politiek nieuws over Mali te wachten,” was het antwoord van de redactie. De Morgen daarentegen publiceerde mijn reisreportage [de neutrale titel werd weliswaar in een sensationele, niet terzake doende, headline omgezet]. Mijn eerste artikel, een verslag over de onstuimige driedaagse aan het station van Bamako, kreeg niet meer dan een kolommetje met een tiental lijntjes toebedeeld. Tegen de tijd dat ik had uitgelegd dat Bamako de hoofdstad was, waren de lijntjes op. Bij wijze van spreken. Afrika. Er is geen kat geïnteresseerd in Afrika. Neen, u ook niet. Of toch? Lees meer…

[Al eens ooit met kerst op een terras in Bamako gezeten? Een vreemde gewaarwording. Terwijl u aan een kippenbeentje kluift en het vette sap in uw sandalen druipt, bedelen 341 zwartjes met uitgestoken hand om een centje of een stukje brood. “Donnez-moi 100 francs s’il vous plaît.” Je zou van minder beginnen zweten.]

Operatie Lastpost

operatie lastpostNet op het moment dat ik een cursus over het redigeren van e-mail en het beheer van de mailbox bij de Federale overheid gaf, kreeg ik van Jobat de opdracht om een artikel over Operatie Lastpost te schrijven. Operatie Lastpost is de ludieke benaming van een training met hetzelfde doel, gegeven door Gunnar Michielsen aan overheden en bedrijven. Gunnar is een geweldig entertainer en de Belgacom-medewerkers die de opleiding volgden, giechelden zich een weg naar hun overvolle mailbox. Klik op de tumbnail naast deze post om de poster in het groot te bekijken. U mailt toch ook?

verbal jam 5

Ik nodig u graag uit op de volgende Verbal Jam 5 die plaatsvindt op 25 juni a.s. in de Entrepot du Congo, op het Antwerpse Zuid (eerste verdieping). U kan het programma bekijken en inschrijven op de website.

U kan op de site ook de teksten en foto’s van de vorige verbal jam events bekijken.

Misschien tot binnenkort!

Vriendelijke groeten,

Erika Claessens

taal in de spoorwegberm

taalVorige week bezocht ik de kantoren van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Ik gaf er een cursus ‘redigeren van e-mails’ en ‘beheren van de mailbox’. Twee medewerkers schreven zich in: Cindy en Cindy. Cindy 1 belde af wegens ziekte en Cindy 2 daagde na tien minuten op. Het werd een cosy tête-à-tête met een ambtenaar.

Cindy 2 heeft het moeilijk met taal, begreep ik tijdens de oefenmomenten. Vooral met het schrijven van   ‘-d’, ‘-t’ en ‘-dt’. Ze kreeg dus als extraatje een truukje voorgeschoteld. Kijk eerst naar de ‘stam‘ van het werkwoord (n.v.d.r. ’stam’?). Bijvoorbeeld ‘drinken‘, stam is ‘drink‘. Voeg bij de ‘jij-’ en de ‘hij-/zij-’ vorm een ‘-t’. Als er in de stam al een ‘-d’ staat, dan krijgt u dus   ‘-dt’ aan het einde. De ‘-t’ valt weg als u met de jij-vorm een vraag stelt. Bijvoorbeeld: ‘neem‘ is de stam van ‘nemen‘. Jij ‘neem‘+ ‘-t’. Neem jij een kopje thee voor mij? De ‘-t’ is verdwenen.

Dit, [en andere middeleeuwse constructies], was niet evident voor Cindy. Ze zou het toch proberen. Het werd nog een fijne dag. Ik leerde Cindy 2 ook om korte zinnen te schrijven. Niet alleen in e-mails, maar ook in teksten. 

Toen ik vanmorgen de volgende zin las, dacht ik aan alle Cindy’s van Vlaanderen: “De plantenresten die gevonden zijn in de zakken van de broek die Ait Oud op de avond van de verdwijning van Nathalie en Stacy droeg, zijn hoogstwaarschijnlijk afkomstig van de spoorwegberm waar de lichamen van de twee meisjes zijn teruggevonden, zo blijkt.” Kijkt u vooral naar de woorden ‘zo blijkt’.

Waarom staat er niet: “Toen Nathalie en Stacy verdwenen, droeg Ait Oud een jeansbroek. De plantenresten uit de broekzakken komen waarschijnlijk uit de spoorwegberm waar men de lichamen van de meisjes vond.” ?

Enfin, het stond geschreven en gedrukt op de webpagina’s van een krant die durft [De Morgen]. Webcopy schrijven is ook een vak. Misschien kan de webredactie van De Morgen bij mij een cursus volgen? Vier mensen schreven zich reeds in: Kevin, Kevin, Kevin en Kevin. Kevin 4 liet weten dat hij met vakantie is naar Bora Bora. Kevin 1 heeft het moeilijk met schrijven, Kevin 2 heeft het moeilijk met time-management en Kevin 3 krijgt geen respons van de plantjes in het redactielokaal wanneer hij een stukje redigeert voor de webstek.  “Ze groeien niet sneller als ik praat!”, riep Kevin 3 wanhopig naar de koffiedame. “Misschien eens proberen met een microfoon?”, antwoordde deze laatste met de hogergenoemde cafetariafunctie, zo bleek.

Stuur uw kromspraak en schaamspreek in grote getallen naar de commentaarvelden hieronder. Uw ex-De Morgen verslaggever dankt u reeds voorspoedig, voorbarig en ten allen tijde.

[Bcc. Xavier De Baere]

PS: toegevoegd dd. 12 augustus 2008: nog een leuk stukje over de dt-regel.

de biotech industrie: stop een tarwekorrel in je tank

eetbare kaartDe voorbije weken schreef ik een artikel over de biotech industrie. Voor Jobat. Is de biotech succesvol? Wordt er winst gemaakt of zit de mot erin? Wat een item in tijden van pest en biobrandstof! “De verdere expansie van de huidige eerste generatie biobrandstoffen heeft een catastrofale impact op het klimaat en de voedselvoorziening. Dit kan je zeker een misdaad tegen de mensheid noemen. De Europese Unie moet dringend van koers veranderen.“(*) Dat zei klimaatexpert Peter Tom Jones in De Standaard van vandaag. Kan hij het weten? Terwijl ik mijn licht over de sector scheen, steeg overal ter wereld protest op over de stijgende voedselprijzen. 800 miljoen mensen lijden honger terwijl een Europese richtlijn van de Europese Commissie erop aanstuurt om tegen 2020 tien procent van het wagenpark op biobrandstof te laten rijden. En -temidden de mensen- ik die me buig over de successtory van de biotech industrie. Bad timing is het minste wat men daarover kan zeggen. De interviewees kletsten honderduit over de positieve toepassingen van de biotech in de strijd tegen ziektes (bv. diabetes) of bij het zoeken naar innovatieve oplossingen (bv. stonewashed jeans met enzymen). Alsof de duivel ermee gemoeid was, kreeg ik ook nog een jobaanbieding van een communicatiebureau dat uitsluitend voor de biotech industrie werkt. De manager vroeg of ik ethische bezwaren had en de weeë geur van geplet koolzaad bleef me dagenlang achtervolgen. Tot op heden ben ik er niet uit. Want dankzij de biotech beschikken diabetespatiënten over betere insulinepreparaten. En door het onderzoek van antistoffen bij lama’s en kamelen zit de medicatie tegen levensbedreigende ziekten in de lift. In landen in het Zuiden zou biodiesel op basis van jatropha, een niet-voedselgewas, bovendien een interessante oplossing kunnen bieden(*). Gelukkig viel er toen een eetbare postkaart in de bus. Het opschrift luidde: “Deze kaart bevat meer voedingsstoffen dan veel mensen in de derde wereld per dag binnen krijgen.” Ze was afkomstig van The Hunger Project en ze wilde niet alleen de aandacht van mijn artikel over de biotech afleiden, maar tevens wijzen op het feit dat er

  • elke dag 20.000 mensen aan chronische ondervoeding sterven;
  • op dit moment 852 miljoen mensen chronisch ondervoed zijn.

Met de kaart in mijn bek, probeer ik me een dag zonder voedsel voor te stellen. Dit weekend vindt u het artikel in Jobat. U dient het op in een bedje van hennep en wilgen, met champignonsaus op basis van niet-eetbare paddestoelen. Vergeet het toetje niet.

(*) [bron De Standaard, woensdag 30 april en donderdag 1 mei 2008]

PS Met dank aan Sara S’Jegers