* snow into sense * press coverage by an independent citizen writer

Site menu:

NetworkedBlogs


Archive

Meta

africa

go bananas

go bananas

How bananas can you go? Kevin ‘The Banana Man’ Allen vindt dat je daar behoorlijk ver in mag gaan, tenminste als het voor de goede zaak is. Kevin is een Engelander [no comment] die op televisie een documentaire over AIDS-wezen in Zululand, Zuid-Afrika, zag en als de wiedeweerga zijn spaarvarkentje in stukken sloeg om de zuurverdiende centjes naar de Zuluutjes te katapulteren. Ter plaatse kocht hij bij lokaaltjes [geweldige term, gestolen van Raoul De Jongh, maar daarover straks meer] emmers vol fruit, bananen om precies te zijn, om uit te delen aan de zwarte weesjes. Zo kreeg hij als de wederwiega [is een wiedeweerga met terugwerkende kracht] de bijnaam Banana Man’. Nu vind ik persoonlijk dat mijnheer Banaan eerder iets weg heeft van een Sam Goris dan van een banaan, maar daar is op zich niets op tegen. Toch blijft het voor mij een verhaaltje met een happy end waar een Febreze-geurtje aan hangt: eens thuis nam hij er een tweede job bij om opnieuw geld te verzamelen om zoveel mogelijk kinderen te helpen. Vervolgens startte hij een charity project om structurele hulp ter plaatse te bieden. Is dat erg? Dat valt te bezien. Ik hoorde voor het eerst van dit Kuifje in Zululand via Bert Verdonck en zijn vrouw, Tonia Opdebeeck. Zij besloten Kevin een beetje met zijn fruitcocktail te helpen. Op 8 en 9 augustus ll. namen ze deel aan de Dodentocht om geld in te zamelen. Ze haalden zich niet alleen de finish, maar ook een heleboel blaren op de hals, maar dat stoorde het koppel geenszins. [Bert zit overigens nooit om een leuk idee verlegen, getuige hiervan Berts’ deelname aan de Verbal Jam 5.] Bert en Tonia verzamelden zomaar eventjes 4000 euro het voorbije weekend en als je weet dat Kevin slechts 0,07 € nodig heeft om een kind voor 1 dag te voeden, dan kan hij daar in de nabije toekomst al heel wat hongerige maagjes mee vullen. Om het fruit te ontvangen, is het kindje verplicht op school aanwezig te zijn, dus dat geeft twee tseetseevliegen in één klap. En een kind dat schoolloopt, leert over AIDS en loopt hopelijk minder kans op besmetting door volwassenen met AIDS. [Dat is een derde klap, een malariemug in dit geval.] Ik heb gestort voor de hele [fruit-]handel, maar ik sta altijd wat sceptisch tegenover deze initiatieven. Niet alleen heb ik thuis al enkele zwartjes te voeden [knipoog], ik vraag me altijd af of het geld goed terechtkomt en of het überhaupt terechtkomt waar het zou moeten terechtkomen, zeker als de financiële steun bij middel van de digitale snelweg gaat. Daarom hou ik zo van het werkje ‘Stinknegers‘ van Raoul De Jong. ‘Wraoul’ zoals de Amerikanen hem plegen te noemen, is een Nederlandse halfcast met mogelijks een Surinaamse vader, die op twintigjarige leeftijd naar Afrika trekt om uit te zoeken of ontwikkelingswerk naar Europees kolonialisme ruikt of eerder iets weg heeft van dweilen met de kraan open. De Jong heeft een licht neurotische maar grappige schrijfstijl, waarmee hij dagboekgewijs zijn wedervaren met de lokaaltjes in West-Afrika vertelt. Uiteraard laat hij daarbij alle politieke correctheid varen maar omdat hij zichzelf ook niet spaart, levert dit een onbezoedelde kijk op Afrika op. Een voorproefje uit ‘Stinknegers’ in de overheerlijke en typische ‘Jip en Janneke-stijl’ van Raoul De Jong:

“Want zo dacht ik ook over Afrika, voor ik er was. Als een heel armoedig, doch o zo zuiver, afgesloten continent. En zo is het niet. Het is noch armoedig, noch afgesloten, noch zuiver. Het zijn gewoon mensen, net als hier. Even egoïstisch en materialistisch, ze hebben alleen minder. Ze hebben alleen minder, en dat wordt dan armoede genoemd, maar het is geen armoede als je er bent, als je erin leeft. Dan is het gewoon anders, meer niet.”

Raoul De Jong vraagt zich, net als ik af, of wij, als Amerikanen of Europeanen, of als blanken tout court, daar zo nodig moeten gaan ingrijpen, “hoe zwaar en ellendig dat systeem in onze ontwikkelde ogen daar ook moge zijn? Was dat eigenlijk ook een vorm van kolonialisme, ook al was het dan een goedbedoeld en gewenste misschien?” Zo’n vraag noemt men wel eens in sociolgische kringen een open vraag. En daarmede stuur ik jullie, lieve beeldschermkindertjes, vanavond bedstedegewaarts. Denk daar maar eens over na. Maar leg vooraf even het overheerlijke boek van Wraoul op het nachtkastje. Voor het geval u nog eens twijfelt of u zou storten of niet. Lees eerst en stort dan toch maar. U heeft goed gekozen! [op de tonen van het welgekende melodietje].

*Met dank aan Odette, via wiens fijnzinnige neus dit boekje mij kwam aanwaaien. [Odette, de hoeken zijn nog steeds ongekreukeld, maar op pagina 30 zit er een neushaartje tussen de middenplooi, ik had die dag de bladwijzer niet meteen bij de hand.]

** By the weg: storten voor de Banana Appeal kan te allen tijde, zie de link naar Bert Verdonck of de BananaMan hierboven.

mothers of africa

Ontroerend videoproject over de outstanding mothers of Africa.

koehandel met melk

koe op festival

Op Sfinks stond ook de kleine boer op de affiche. Oxfam had op het festival een campagnestand onder het motto ‘Stop de koehandel met melk!’. De organisatie heeft er bewust voor gekozen om met de problematiek van de kleine landbouw naar de zomerfestivals te trekken. “Er is dringend een ander landbouwbeleid nodig, zowel in België, als in het zuiden. We hebben een landbouwbeleid nodig dat kansen biedt aan de familiale landbouw, dat het recht op voedsel van iedereen respecteert, dat ijvert voor duurzaamheid en milieubescherming, dat de boer een waardig inkomen biedt en mogelijkheden inhoudt om de sector verder te ontwikkelen, waarbij de lokale, regionale en de internationale markten complementair zijn in plaats van zuivere concurrenten. Er is plaats voor duurzame familiale melkproductie in Burkina Faso, maar ook in Europa.” Aan het woord is Bert Dhondt van Oxfam. [De persmap schuwt de lange zinnen niet.] Om deze boodschap kracht bij te zetten vroeg Oxfam aan Victor Démé uit Burkina Faso om de campagne te steunen en zijn verhaal te doen. 

 “De ongelijkheid in de landbouw is onze maatschappij onwaardig.  Daarom wil ik hier in Europa over de landbouwproblemen in mijn gemeenschap spreken. Iedere minuut sluit er wel ergens een boerderij haar deuren, in Burkina Faso, maar ook in Europa. Dat vind ik erg. Daarom steun ik de campagne van Oxfam. In mijn gemeenschap bijvoorbeeld, zijn er nogal wat rijstboeren. Zij halen het zaaigoed in winkels, maar betalen op krediet. Als ze cash zouden kunnen betalen, dan zou hen dat minder geld kosten. Maar ze hebben dat geld niet, dus betalen ze dubbel zoveel. Dat geldt ook voor de melkboeren. Zo houdt men de hele bevolking in zijn greep. De mensen moeten van de landbouw leven, maar ze slagen daar niet in. De bevolking in Burkina Faso lijdt daaronder. Ik wil ook vooral wat aandacht vragen voor onze vrouwen: zij vechten om te overleven. Ik zing over de vrouwen en de situatie waarin ze zich bevinden. Zij cultiveren groenten op lapjes grond maar dat is niet voldoende om hun gezin van middelen te voorzien. Wij hebben mensen nodig die hun initiatieven naar waarde schatten. Want het zijn de vrouwen die de moed hebben om door te gaan. Ze richten kleine verenigingen op en proberen in groep hun goederen te verkopen, maar ze hebben het moeilijk. Ik zing misschien in mijn liedjes dat je altijd moet blijven hopen, maar soms denk ik dat er geen hoop meer is voor onze bevolking. Wat Oxfam doet voor onze vrouwen en onze landbouwcollectiefjes is goed, maar er zou nog meer kunnen gebeuren. Het ligt ook aan onze mannen. Er zijn vrouwen die mee willen werken in de vrouwenorganisaties, maar ze moeten thuisblijven van hun man. Dan zeg ik: ‘Ook onze mannen moeten dringend hun mentaliteit veranderen.’ De vrouwen kunnen zich blijven uitsloven, maar zolang de mannen niet meewillen, geraken we nergens. Oxfam helpt onze vrouwen in de minimelkerijen, daar ben ik blij om, maar ik benadruk dat het meer uithaalt om ons te leren vissen dan om ons eten te geven. Wij krijgen giften maar wij hebben liever ondersteuning. Want wij kunnen zelf uit de problemen geraken, maar er is ondersteuning nodig. Ik wil ook de situatie van de vrouwen op familiaal vlak onder de aandacht brengen. Onze vrouwen zijn vaak de kostwinners, maar ze lijden. Neem nu dat een kind er niet in slaagt succes te oogsten, dan wordt dat altijd op de moeder verhaald. Als een kind iets positiefs doet, wordt dat plots op rekening van de vader geschreven.  Ik zing om daar verandering in te brengen. Ik voel me de advocaat van de Burkinabese vrouwen. Mijn eigen moeder heeft erg geleden onder het feit dat ik artiest was: ik was een clochard in de ogen van de gemeenschap. Ik werd niet voor vol aanzien. Toch bleef ze me altijd steunen in alles wat ik deed. Ik ben haar daar dankbaar voor. De vrouw heeft een belangrijke plaats in de maatschappij maar dat wordt niet altijd erkend. Waarom mogen mannen meerdere vrouwen hebben, maar vrouwen geen meerdere mannen?  Dat klopt niet. Dat is louche. Ik zing al sinds ‘89 over de levensomstandigheden waarin onze vrouwen verkeren. Ik draag deze boodschap overal waar ik kom, uit. Ik wil dat de mensen, ook de jongeren, over de rol van de vrouw in de maatschappij gaan nadenken.  De vrouw mag niet verantwoordelijk worden gesteld voor alles wat er in onze gemeenschap fout loopt. De vrouw komt op voor ons leven want ze geeft ons te eten. “

De theatergroep ‘Les Passeurs de Rêve’ gaat deze zomer de zomerfestivals af met een landbouwmodel dat respect heeft voor alle boeren ter wereld, voor de natuur en voor de consument. Tijdens de Trailwalker in Eupen en tijdens de Fêtes de la Wallonie in Namen kan u de groep nog aan het werk zien. U vindt de campagnestand van Oxfam op Folk Dranouter, op Pukkelpop in Hasselt en tijdens het straatfestival in Chassepierre. Meer info over de campagne

kreet voor polygamie voor vrouwen zet keet in de fik

victor demeDag 2 op Sfinks Mixed (eigenlijk dag 3), was D-day. Niet de D van Doom-day, [ook al had Khaled dan laten weten dat geen haar op zijn rug eraan dacht om een interview te geven], ook niet de D van Disembarkation Day [uitlaad (t?) dag, ook al ben ik dan des avonds in de kofferbak van een Nissan Almera naar huis gevoerd, maar dat verhaal is voor een andere post] maar de D van Démé. Démé-dag dus. Zoals reeds eerder aangekondigd kan een krasse knar op zijn tijd nooit kwaad [Nelson Rolihlahla Mandela is er ondertussen 90] en het schriele mannetje met pet en gitaar had op dag 1 al mijn hart gestolen. Victor Démé is een Burkinabese kleermaker die bij tijd en wijle het zingende naai-orgel verlaat om zijn liefde voor de vrouw, en het recht op polygamie voor vrouwen in het bijzonder, te bezingen. Zijn glimlach ontwapent, ook al mist hij dan enkele voortanden. Deze Victor Démé gaf in de Sfinkse Clubtent een wervelend spektakel ten beste. In vakjargon: hij stak de keet in de fik. Victor geeft dan ook al dertig jaren blijk van enig muzikaal talent. Van zijn vader erfde hij de liefde voor de vingerhoed, van zijn moeder [een Burkinabese griotte] de gouden keel. Tijdens zijn jongelingsjaren gaf hij menig concert ten beste in de clubs en cabaretten van Abidjan (Ivoorkust), waar zijn vader de snit en naad-sector onveilig maakte. Toen Victor in ‘88 terug naar Burkina Faso keerde, sleepte hij meerdere muzikale prijzen in de wacht. Maar het leven is niet eerlijk en met succes plaveit men de straten niet [in Burkina Faso zijn de stoffige straten sowieso niet geplaveid, zeker niet sinds Blaise er op de troon zit]. Victor Démé kreeg dus niet meteen wat hij verdiende en moest het soms stellen met kleine optredens in dubieuse tenten in Ouagadougou en omstreken. De populaire ster aan het Burkinabese firmament gaf echter niet op en het toeval gaat waar het niet kruipen kan: in 2005 liep hij een viertal jonge Fransen tegen het lijf. Zij vonden dat Démé minstens recht had op één cd én internationale faam. Ze brachten Victor’s eigenzinnige creaties uit op het Chapa label [het zelfgestookte gistmengsel uit Burkina Faso heet chapa] en hemzelve naar onze contreien. Het licht ontvlambare materiaal van Victor Démé in de tent gisteren bestond uit traditionele liedjes, doorspekt met Latijnse ritmes en invloeden uit de flamenco en de blues. De kora en de calebash werden bevingerd door twee hemelse, zwarte koorknaapjes, die van mij hier gerust de zondagsmis mogen komen opvrolijken. Ze vroegen bij aanvang toestemming om te spelen aan het publiek en dat alleen al zal menig koloniaal hart hebben doen smelten. Verder had Victor nog een snarenexpert meegebracht, waarvan de naam me nu even ontgaat. Tesamen hadden ze een swingende show in elkaar gebokst, die Victor af en toe onderbrak met een boodschap. Laat dat nu nét de natte droom van de toubab [zo noemen zwarten de blanken] zijn: een gezellig muziekje en een doordenkertje op zijn tijd en de avond kan niet meer stuk. Victor vroeg zich in de Clubtent hardop af waarom een man meerdere vrouwen mag houden, tenminste toch in sommige delen van de wereld, maar een vrouw geen meerdere mannen. Daar lustten de luisteraars, waaronder ikzelf, wel pap van. In zijn laatste song vroeg hij zijn Burkinabese broeders om de andere continenten niet meer onveilig te maken en stante pede terug naar het vaderland te keren. Het land heeft hen nodig, samen zouden ze naar een oplossing kunnen zoeken. Of deze oproep de broers ter ore kwam, weet ik niet, want tegen dan daverde de tent al op zijn grondvesten. Ondanks het aanzwellende applaus was deze artiest geen bis gegund. Er kwam een dame op met een lampekap als hoed, gehuld in een wit gewaad, die sterke gelijkenissen met een abat-jour vertoonde. Ze vond dat het programma naadloos moest aansluiten en een toegift zou het huisreglement niet toestaan. Haar stem ging verloren in geklepper van houten planken, stampende voeten, klappende handen en awoertgeroep. Wie er dus na Victor Démé op het podium kwam, hebben we nooit geweten. Ik wilde het ook niet weten. We wilden Victor Démé nog een keer. Iedereen haalde lik op stuk, behalve ik. Victor schoof een uurtje later bij mij aan omdat hij het ook nog even over de koehandel met melk in zijn land van herkomst wilde hebben. Voor mij was het allemaal al lang goed: koeien, melk, petjes, tanden of geen tanden, het maakte allemaal niet meer uit. Victor Démé kreeg het keurzegel van de Vlaamse Bond der Huisvrouwen, waarvan ik mezelf als erelid beschouw. Over de koehandel zal ik het morgen hebben, vandaag sluit ik me aan bij de volgende leuze, alvorens naar bedstee te trekken: ‘Lang leve de polygamie voor vrouwen! Victor Démé for President!’. En luister goed: dat kan, want ik heb net ontdekt dat hij maar 46 is! Ronald Reagan daarentegen!

de ondraaglijke lichtheid in het journalistieke bestaan

cassetjeGisteren postgevat op het Sfinks Mixed Festival in Boechout, alwaar ik een poging zou ondernemen om in de ziel van enkele artiesten te duiken. Vrijdagavond had ik de artiestennamen aan het persteam doorgegeven en de vragen voorbereid. Het wachten kon beginnen. Wie zou me een gesprekje toestaan, en meer nog: wie zou er een zinnig gesprekje met me willen voeren? De ervaring leerde me dat niet elk interview slaagt. Dat niet iedere interviewee zin heeft om te praten, laat staan om te antwoorden op je vragen. Ik herinner me een interview met een Malinese koraspeler begin jaren negentig. Niet dat hij niet sympathiek was, ho maar. De man beraamde grootse plannen: met mij de volgende dag naar een feestje gaan. Maar toen ik wat vragen op hem afvuurde, volgden er hooguit drie nietszeggende antwoorden. Hij heeft me later nog wel eens een kaartje gestuurd, herinner ik me. Laaiend enthousiast over mijn blauwe ogen. Uiteraard werd ik vriendelijk uitgenodigd bij hem thuis, in Mali. Er was ook die vrouwelijke zangeres. Dat ik me haar naam niet meer herinner, heeft veel te maken met het gesprek en de opvolging achteraf. Ik kon in de loge, onder het toeziend oog van een drietal mannen, (het management?), een praatje slaan met mevrouw. De diva sprak geen gebenedijd woord aan vreemde talen, dus de mannen zouden het wel vertalen. Een vrouwenthema met een Arabische vrouw bespreken onder drie paar dwingende mannenogen, dat was de opdracht. En als ik nog vragen had, of illustratiemateriaal wilde, kon ik achteraf wel even een mailtje aan het management sturen. Het spreekt voor zich dat het Nederlandse emailadres van de Marokkaanse gozers onbestaande was en het telefoonnummer niet thuis gaf. Gisteren dus. Van één tot een uur of vijf fijn rondgehangen op het festivalterrein zonder enig nieuws van het front. Iets na vijven kreeg ik het nieuws dat Mevrouw Babani Koné de uitdaging aanging. Wat volgde was een gezellige conversatie. Babani rook naar het hemelse geurtje dat je bij het opendoen van om het even welke deur in Ségou naar adem doet happen: een mengeling van houtskool en met kruiden in confituurpotten opgelegd parfum. Ze werd vergezeld door de Heer Cheikh Tidiane Seck, een goedlachse muzikant die het ontstaan van de eerste baobab op aarde nog had meegemaakt. De visitekaartjes wisselden duchtig van eigenaar. De manager zei tijdens het binnenspelen van een banaan dat ik een mooie vrouw was, verduidelijkend dat hij van buiten én van binnen bedoelde, en Babani Koné herself schreef op de mij toegereikte ceedee de lieve woordjes: “Ecoutez - c’est Trop - bon” waarna ze het exemplaar van een krabbel voorzag. De tijd was volgens hen drieën rijp om Babani bekendheid op wereldvlak te gunnen, ze was er helemaal klaar voor. Babani zit dan ook al 20 jaren in het vak. Het is haar van harte gegund. Terwijl wij daar met zijn allen garen aan het spinnen waren, kreeg ik te horen dat The Gladiators exact om tien na vijf te mijner beschikking zouden staan. Ik kreeg welgeteld vijf minuten toebedeeld. De werkelijkheid zag er iets anders uit. The Gladiators speelden bijna drie kwartier langer dan voorzien, en ondertussen lag de batterij van mijn laptop bijna op apegapen. Geen nood, ik zou tijdens het wachten nog even een klapke kunnen doen met Mijnheer Werrason uit het verre Congo. In rijtjes van twee werd het perstuig naar de loge van mijnheer Werrason gebracht. Deze loge bestond uit een stukje gras naast een tentje, alwaar een tiental zwarte medemensen een samenkomst had beraamd. De avondklok was nog niet ingesteld. Het betrof het soort groepje dat je niet bij nacht in een verlaten winkelstraat zou willen tegenkomen. Mijnheer Werrason deed een stapje in onze richting en zei: “I am the King. Welke taal moet het zijn? Frans of Engels? Allemaal tegelijk, niet meer dan één kwartier.” Daar stond ik dan temidden van een gazonnetje, met mijn laptop in de hand. Achter mij stak een behaarde microfoon de kop op en werd een televisiejournalist behoorlijk zenuwachtig. De lui van Indymedia (Be the media!) vonden het een plezante opgave en gingen meteen aan de slag. Zelf had ik het gevoel of ik in de ketel van Obelix was gevallen. Vraag 1: hoe zou ik het klavier beroeren al rechtstaande? Vraag 2: welke zinnige vragen kan een mens stellen in een groep van 10 gedurende hooguit een kwartier? Vraag 3: had the king of fucking everything überhaupt wel iets te vertellen als hij het nut van een persoonlijk interview niet inzag? Ik verliet het grastapijt zonder spijt. Het was tenslotte Srebrenica niet. Gegeven het feit dat elke Congolees een beetje een koning is, kruis ik er vast en zeker nog wel eens een op mijn pad. Ik sloop net terug naar de perstent op zoek naar een stopcontact, toen het opperhoofd der Gladiators zijn opwachting maakte. Het gesprek liep als een trein, of beter: het verliep als het rifje in een gemiddeld roots rock reggae hitje [’Hello Carol’ bijvoorbeeld.] Vijf vragen waren goed voor één antwoord van Al Griffith: ‘Definitely!’ Op mijn vraag of hij wat genuanceerder kon antwoorden, antwoordde hij ‘Definitely!’ waarbij hij de handdoek in de ring gooide.

Daar wordt een mens nog eens vrolijk van. Op naar dag 2: ik ruik nu al onraad gezien ik een afspraakje heb beraamd met de man die meer van whisky dan van vrouwen houdt, of was het omgekeerd: Khaled. De laatste keer dat ik hem sprak, was tien jaar geleden in Brussel of all places. Zou hij zich dat nog herinneren? ‘Inshallah!’ lijkt me definitely een geschikt antwoord op deze niet terzake doende vraag.

Alles over Babani Kone

Foto’s van Sfinks

Alles over het woordje ‘definitely’

check this out:

kings of africa

chief goodness

Sfinks Mixed

sfinksWaarom ik vind dat u naar Sfinks moet:

en omdat u mij daar dan tegenkomt en we eindelijk nog eens kunnen bijpraten.

in de ban van de vruchtbaarheid

circus baobab

Wat er op dit moment in Zimbabwe gebeurt, noem ik het circus van de slechte smaak. Nochtans is er in Afrika een beter circus te vinden: Circus Baobab. Het komt uit Guinée Conakry en het benenwerk van het nepblondje aan het trapezium wordt er, samen met bijhorende pailletten, vervangen door ijzersterke acrobatieën van vlees en bloed. Jonge zwarten uit Conakry, opgeleid door Franse circusartiesten, mengen er hun koordkunsten met de oeroude Afrikaanse verhalencultuur. Ik raakte in de ban van dit circus toen ik in 2001 de film Circus Baobab van de Franse cineast Laurent Chevalier zag. Chevalier is de man die ook de ontroerende documentaire Djembefola, over de terugkeer van Mamady Keïta naar zijn geboortedorp maakte [zie filmpje hieronder]. Circus Baobab bestaat ondertussen al acht jaar en doet dit jaar België aan. Op Sfinks Mixed, op zondag 27 juli om 13u, vertellen de trapezewerkers en choreografen van deze Afrikaanse circusschool, het verhaal van Nimba, de vrouwelijke godin van de vruchtbaarheid en de overvloed. De regie en choreografie is in handen van niemand minder dan Patrick Bidon en Germaine Acogny, geen onbekenden in het circuit. Meer over het programma van Sfinks Mixed.

Filmpje over Djembefola [wat is er geworden van het kleine jongetje?]

geen kat geïnteresseerd in afrika - u ook niet

iday bannerEr is geen kat geïnteresseerd in Afrika. Dat was zeventien jaar geleden al zo. Eerst een anekdote uit de oude doos. In 1991 struinde ik een tijdje door Mali. Om een reportage te maken. De laatste dagen van mijn verblijf bracht ik in Bamako, de hoofdstad, door. Ik zou er de trein naar Dakar nemen. Op weg naar het station, stoven plots de stoffige straten wit. Er klonken geweerschoten en manifestanten renden alle richtingen uit. De republiek Mali werd toen al 22 jaar lang door de autoritaire Moussa Traoré geleid. De bevolking vond eindelijk dat het welletjes was. Dictator Traoré had voor eind 1991 verkiezingen beloofd. Het was eind december en er vielen nog steeds geen verkiezingen te bespeuren. De manifestanten schreeuwden om de invoering van een meerpartijenstelsel en andere democratische spelregels. Enkele dagen later, terwijl de geur van smeulende autobanden de geur van de bananenkraampjes verdrong, viel Traoré van zijn voetstuk. Onmiddellijk na mijn aankomst in België contacteerde ik de toenmalige BRT en De Morgen. Ik vertelde hen dat ik ter plaatse was en dus wel het een en ander over de situatie kon vertellen. De BRT besloot niet over de toestand in Mali te berichten. “In België zit niemand op politiek nieuws over Mali te wachten,” was het antwoord van de redactie. De Morgen daarentegen publiceerde mijn reisreportage [de neutrale titel werd weliswaar in een sensationele, niet terzake doende, headline omgezet]. Mijn eerste artikel, een verslag over de onstuimige driedaagse aan het station van Bamako, kreeg niet meer dan een kolommetje met een tiental lijntjes toebedeeld. Tegen de tijd dat ik had uitgelegd dat Bamako de hoofdstad was, waren de lijntjes op. Bij wijze van spreken. Afrika. Er is geen kat geïnteresseerd in Afrika. Neen, u ook niet. Of toch? Lees meer…

[Al eens ooit met kerst op een terras in Bamako gezeten? Een vreemde gewaarwording. Terwijl u aan een kippenbeentje kluift en het vette sap in uw sandalen druipt, bedelen 341 zwartjes met uitgestoken hand om een centje of een stukje brood. “Donnez-moi 100 francs s’il vous plaît.” Je zou van minder beginnen zweten.]

16 juni: dag van de Afrikaanse jeugd

idayHet concert van Baaba Maal in het Zuiderpershuis gisteravond stond in het teken van de Afrikaanse Jeugd. Morgen is het immers Day of the African Youth over heel de wereld. Het initiatief werd in 2005 door de leden van African Diaspora opgericht. In 2007 werd de ngo IDAY opgericht. IDAY is een netwerk van Afrikaanse en Europeese organisaties die zich inzetten voor educatieve projecten in Afrika. Om hun stem kracht bij te zetten, verenigden ze zich. Elke deelnemende organisatie ontwikkelt haar methodes en richt zich tot de overheden van de landen waar ze projecten opvolgt. Het gemeenschappelijk doel is in 2015 een groot media-event in Afrika te organiseren.

Waarom 16 juni? Daarover morgen meer.

de biotech industrie: stop een tarwekorrel in je tank

eetbare kaartDe voorbije weken schreef ik een artikel over de biotech industrie. Voor Jobat. Is de biotech succesvol? Wordt er winst gemaakt of zit de mot erin? Wat een item in tijden van pest en biobrandstof! “De verdere expansie van de huidige eerste generatie biobrandstoffen heeft een catastrofale impact op het klimaat en de voedselvoorziening. Dit kan je zeker een misdaad tegen de mensheid noemen. De Europese Unie moet dringend van koers veranderen.“(*) Dat zei klimaatexpert Peter Tom Jones in De Standaard van vandaag. Kan hij het weten? Terwijl ik mijn licht over de sector scheen, steeg overal ter wereld protest op over de stijgende voedselprijzen. 800 miljoen mensen lijden honger terwijl een Europese richtlijn van de Europese Commissie erop aanstuurt om tegen 2020 tien procent van het wagenpark op biobrandstof te laten rijden. En -temidden de mensen- ik die me buig over de successtory van de biotech industrie. Bad timing is het minste wat men daarover kan zeggen. De interviewees kletsten honderduit over de positieve toepassingen van de biotech in de strijd tegen ziektes (bv. diabetes) of bij het zoeken naar innovatieve oplossingen (bv. stonewashed jeans met enzymen). Alsof de duivel ermee gemoeid was, kreeg ik ook nog een jobaanbieding van een communicatiebureau dat uitsluitend voor de biotech industrie werkt. De manager vroeg of ik ethische bezwaren had en de weeë geur van geplet koolzaad bleef me dagenlang achtervolgen. Tot op heden ben ik er niet uit. Want dankzij de biotech beschikken diabetespatiënten over betere insulinepreparaten. En door het onderzoek van antistoffen bij lama’s en kamelen zit de medicatie tegen levensbedreigende ziekten in de lift. In landen in het Zuiden zou biodiesel op basis van jatropha, een niet-voedselgewas, bovendien een interessante oplossing kunnen bieden(*). Gelukkig viel er toen een eetbare postkaart in de bus. Het opschrift luidde: “Deze kaart bevat meer voedingsstoffen dan veel mensen in de derde wereld per dag binnen krijgen.” Ze was afkomstig van The Hunger Project en ze wilde niet alleen de aandacht van mijn artikel over de biotech afleiden, maar tevens wijzen op het feit dat er

  • elke dag 20.000 mensen aan chronische ondervoeding sterven;
  • op dit moment 852 miljoen mensen chronisch ondervoed zijn.

Met de kaart in mijn bek, probeer ik me een dag zonder voedsel voor te stellen. Dit weekend vindt u het artikel in Jobat. U dient het op in een bedje van hennep en wilgen, met champignonsaus op basis van niet-eetbare paddestoelen. Vergeet het toetje niet.

(*) [bron De Standaard, woensdag 30 april en donderdag 1 mei 2008]

PS Met dank aan Sara S’Jegers