Gisteren postgevat op het Sfinks Mixed Festival in Boechout, alwaar ik een poging zou ondernemen om in de ziel van enkele artiesten te duiken. Vrijdagavond had ik de artiestennamen aan het persteam doorgegeven en de vragen voorbereid. Het wachten kon beginnen. Wie zou me een gesprekje toestaan, en meer nog: wie zou er een zinnig gesprekje met me willen voeren? De ervaring leerde me dat niet elk interview slaagt. Dat niet iedere interviewee zin heeft om te praten, laat staan om te antwoorden op je vragen. Ik herinner me een interview met een Malinese koraspeler begin jaren negentig. Niet dat hij niet sympathiek was, ho maar. De man beraamde grootse plannen: met mij de volgende dag naar een feestje gaan. Maar toen ik wat vragen op hem afvuurde, volgden er hooguit drie nietszeggende antwoorden. Hij heeft me later nog wel eens een kaartje gestuurd, herinner ik me. Laaiend enthousiast over mijn blauwe ogen. Uiteraard werd ik vriendelijk uitgenodigd bij hem thuis, in Mali. Er was ook die vrouwelijke zangeres. Dat ik me haar naam niet meer herinner, heeft veel te maken met het gesprek en de opvolging achteraf. Ik kon in de loge, onder het toeziend oog van een drietal mannen, (het management?), een praatje slaan met mevrouw. De diva sprak geen gebenedijd woord aan vreemde talen, dus de mannen zouden het wel vertalen. Een vrouwenthema met een Arabische vrouw bespreken onder drie paar dwingende mannenogen, dat was de opdracht. En als ik nog vragen had, of illustratiemateriaal wilde, kon ik achteraf wel even een mailtje aan het management sturen. Het spreekt voor zich dat het Nederlandse emailadres van de Marokkaanse gozers onbestaande was en het telefoonnummer niet thuis gaf. Gisteren dus. Van één tot een uur of vijf fijn rondgehangen op het festivalterrein zonder enig nieuws van het front. Iets na vijven kreeg ik het nieuws dat Mevrouw Babani Koné de uitdaging aanging. Wat volgde was een gezellige conversatie. Babani rook naar het hemelse geurtje dat je bij het opendoen van om het even welke deur in Ségou naar adem doet happen: een mengeling van houtskool en met kruiden in confituurpotten opgelegd parfum. Ze werd vergezeld door de Heer Cheikh Tidiane Seck, een goedlachse muzikant die het ontstaan van de eerste baobab op aarde nog had meegemaakt. De visitekaartjes wisselden duchtig van eigenaar. De manager zei tijdens het binnenspelen van een banaan dat ik een mooie vrouw was, verduidelijkend dat hij van buiten én van binnen bedoelde, en Babani Koné herself schreef op de mij toegereikte ceedee de lieve woordjes: “Ecoutez - c’est Trop - bon” waarna ze het exemplaar van een krabbel voorzag. De tijd was volgens hen drieën rijp om Babani bekendheid op wereldvlak te gunnen, ze was er helemaal klaar voor. Babani zit dan ook al 20 jaren in het vak. Het is haar van harte gegund. Terwijl wij daar met zijn allen garen aan het spinnen waren, kreeg ik te horen dat The Gladiators exact om tien na vijf te mijner beschikking zouden staan. Ik kreeg welgeteld vijf minuten toebedeeld. De werkelijkheid zag er iets anders uit. The Gladiators speelden bijna drie kwartier langer dan voorzien, en ondertussen lag de batterij van mijn laptop bijna op apegapen. Geen nood, ik zou tijdens het wachten nog even een klapke kunnen doen met Mijnheer Werrason uit het verre Congo. In rijtjes van twee werd het perstuig naar de loge van mijnheer Werrason gebracht. Deze loge bestond uit een stukje gras naast een tentje, alwaar een tiental zwarte medemensen een samenkomst had beraamd. De avondklok was nog niet ingesteld. Het betrof het soort groepje dat je niet bij nacht in een verlaten winkelstraat zou willen tegenkomen. Mijnheer Werrason deed een stapje in onze richting en zei: “I am the King. Welke taal moet het zijn? Frans of Engels? Allemaal tegelijk, niet meer dan één kwartier.” Daar stond ik dan temidden van een gazonnetje, met mijn laptop in de hand. Achter mij stak een behaarde microfoon de kop op en werd een televisiejournalist behoorlijk zenuwachtig. De lui van Indymedia (Be the media!) vonden het een plezante opgave en gingen meteen aan de slag. Zelf had ik het gevoel of ik in de ketel van Obelix was gevallen. Vraag 1: hoe zou ik het klavier beroeren al rechtstaande? Vraag 2: welke zinnige vragen kan een mens stellen in een groep van 10 gedurende hooguit een kwartier? Vraag 3: had the king of fucking everything überhaupt wel iets te vertellen als hij het nut van een persoonlijk interview niet inzag? Ik verliet het grastapijt zonder spijt. Het was tenslotte Srebrenica niet. Gegeven het feit dat elke Congolees een beetje een koning is, kruis ik er vast en zeker nog wel eens een op mijn pad. Ik sloop net terug naar de perstent op zoek naar een stopcontact, toen het opperhoofd der Gladiators zijn opwachting maakte. Het gesprek liep als een trein, of beter: het verliep als het rifje in een gemiddeld roots rock reggae hitje [’Hello Carol’ bijvoorbeeld.] Vijf vragen waren goed voor één antwoord van Al Griffith: ‘Definitely!’ Op mijn vraag of hij wat genuanceerder kon antwoorden, antwoordde hij ‘Definitely!’ waarbij hij de handdoek in de ring gooide.
Daar wordt een mens nog eens vrolijk van. Op naar dag 2: ik ruik nu al onraad gezien ik een afspraakje heb beraamd met de man die meer van whisky dan van vrouwen houdt, of was het omgekeerd: Khaled. De laatste keer dat ik hem sprak, was tien jaar geleden in Brussel of all places. Zou hij zich dat nog herinneren? ‘Inshallah!’ lijkt me definitely een geschikt antwoord op deze niet terzake doende vraag.
Alles over Babani Kone
Foto’s van Sfinks
Alles over het woordje ‘definitely’
check this out:
kings of africa
chief goodness
Posted: July 27th, 2008 under africa, allochtonen, citizen media, events, writing.
Comments: 1